Opera, oratorium, liederen – alle genres binnen het klassieke zangvak zijn haar even lief. Heleen Koele
beoefent ze dus ook maar alledrie. Solistisch of in een ensemble, als dienares
van de ‘ernstige’ muze of als entertainer in de kleinkunst. Want ook het theater heeft Heleens
hart gestolen.
“Ik hou namelijk erg van acteren. Voor mijn gevoel gaat me dat vrij makkelijk af.
Wat mij vooral boeit is de interactie tussen de personages, en hoe die zich
ontwikkelt...”
Wat moeten we ons daarbij voorstellen?
“Nou, ik denk nu even aan mijn samenwerking met Ineke Vlogtman in ‘Orfeo’ van Gluck, in 2005. Ineke zong Orfeo, ik Euridice. Orfeo haalt Euridice terug
uit de onderwereld. Maar daarbij mag hij niet omkijken om te zien of ze hem wel
volgt. En toen Ineke mij in die scène dus alsmaar negeerde, ging ik tot mijn eigen verbazing echt zowat door het
lint!”
Nog zo’n heftig moment deed zich in 1994 voor bij Suor Angelica van Puccini. Nauwelijks
was het laatste slotaccoord verklonken, of Heleen stond hevig huilend in de
coulissen. Op een ongelegen moment, want eigenlijk moest de hele cast meteen
weer op om het slotapplaus in ontvangst te nemen.
“Dus de anderen probeerden mij haastig te troosten: ‘Toe joh, het ging toch hartstikke goed?” En ik snikken: ‘Ja - jawel, maar... whèèèh!’ Lachend: “Nu was ik in die tijd ook net zwanger, dat moet ik er wel even bij zeggen.”
Comédienne
Bij alle sympathie voor tragische heldinnen als Euridice en Suor Angelica krijgt
Heleen ook steeds meer aardigheid in komische rollen. Sinds 1990 al maakt ze
deel uit van de Zwolse cabaretgroep Trut Vocaal, waarbinnen ze steevast de
egocentrische primadonna mag uithangen.
Toch kwam haar echte doorbraak als comédienne tijdens een openluchtvoorstelling van Opera Nijetrijne. We schrijven
2008. In de productie Alias Duivelsoog (een door Alice Zwolschen hertaalde
versie van Fra Diavolo (1830) van Daniel Aubert) vertolkt Heleen de rol van
Lady Pamela Cockburn. Deze Pamela is een snobby toeriste, kaliber Hyacinth uit Keeping Up Appearances, die op een natuurcamping belandt.
Heleen: “Liep ik daar in een soort chanelpakje op zúlke naaldhakken door het veen te sjouwen, telkens wegzakkend in de blubber, een
roze trolleykoffer achter me aan... Feitelijk was het niet eens een echte hoofdrol, maar iedereen moest zó ontzettend lachen!”
Oratorium
Zoveel ongecompliceerde lol als ze beleeft aan het uitbeelden van een kluchtig
typetje als Lady Pamela, zo devoot is haar benadering van het
oratoriumrepertoire: een Requiem van Verdi, een Matthäus Passion. “Ik heb iets met de barok. En Bach’s muziek is zo vanzelfsprekend, zo organisch. Er is niets kunstmatigs aan.
Bij Aus Liebe wil mein Heiland sterben leg ik altijd de partituur weg, dat zing
ik principieel uit m’n hoofd.”
Hoe leeft Heleen zich in zulke tegengestelde rollen in?
“Tja, hoe leef ik me in... Nou, in eerste instantie gewoon vanuit de muziek.” Met een vleugje zwarte humor: “
Je hoeft het niet eerst allemaal zelf te hebben meegemaakt, gelukkig.”
Natuurlijk probeert ze zoveel mogelijk te lezen over de achtergronden. Ter
voorbereiding op de Passietijd verdiepte ze zich ooit in het Evangelie van
Judas. Dit apocriefe boek schildert Judas niet af als lafhartige verrader,
integendeel. Judas blijkt juist een trouw discipel, die zijn ondankbare taak
verricht in opdracht van Jezus zelf. Heleen: “Niet dat ik dit nu meteen onderschrijf. Maar het gaf me wel weer een soort
inspiratie: ‘Hé, zo kun je er ook tegenaan kijken..!’ Als uitvoerend musicus ben je de hele tijd aan het uitdelen, maar zelf moet je
van tijd tot tijd ook weer gevoed worden.”
Koor
Jazeker, plankenkoorts kent ze wel degelijk. Zoals die keer in 1998, toen ze
ging auditeren voor het Nederlands Kamerkoor. Pianist Steven Faber vergezelde
haar, voor de broodnodige muzikale en morele steun. “Zitten we nog tamelijk relaxed in de trein, zegt Steven opeens: “Jahaa, je doet straks wel auditie voor het Concertgebouworkest onder de koren...” En toen wérd ik me toch zenuwachtig!”
Nog steeds ervaart Heleen het Kamerkoor als een inspirerende werkkring. “Ik heb er ontzettend veel geleerd. Veel zangers doen nogal moeilijk over het
zingen in beroepskoren. ‘O, als je eenmaal in een kóór zit..!’”
Hoezo, wat gebeurt er dan?
“Nou ja, ik hoor kreten als ‘Dan ga je je eigen geluid verliezen’ en ‘Het is slecht voor je stem, want je moet steeds mengen’. Persoonlijk vind ik dat onzin. Het gaat zéker niet op voor een ensemble als het Nederlands Kamerkoor, waarbinnen iedereen
zijn eigen taak en verantwoordelijkheid heeft, en waar je nota bene vaak een
partij in je eentje staat te zingen. In 2008 heb ik onder Reinbert de Leeuw
Cinq Réchants van Messiaen mogen doen. Nou, die partij is toch wel de kroon op het werk
van elke sopraan, hoor.”
Ook de sociale kant bevalt haar prima. “Om te beginnen heb ik leuke collega’s. En tja, ‘netwerken’ vind ik zo’n rotwoord, maar toch: als koorzanger werk je wél met de meest fantastische mensen, die je anders misschien nooit had leren
kennen.
Neem nu een Ed Spanjaard, met wie we een toernee door Amerika hebben gemaakt. Of
een Marcus Creed, bij wie ik zelfs nog heb gesoleerd in het Deutsches Requiem
van Brahms. En in 2009 deed ik de sopraansoli in het Weihnachtsoratorium, met
Jan Willem de Vriend en zijn Combattimento Consort. Geloof me, als ik niet in
het Nederlands Kamerkoor zat, had ik voor zulke opdrachten toch een veel
langere weg moeten afleggen. Eindeloos audities doen en zo...”
Liederen
Hoe belangrijk is het publiek voor Heleen?
“Heel belangrijk. Daarom probeer ik altijd zo min mogelijk op mijn bladmuziek te
kijken, ik wil oogcontact maken met de mensen. Je moet een soort kwetsbaarheid
durven tonen, waardoor je geloofwaardig wordt.”
Naast opera, koorzang en oratoriumsoli vormt de liedkunst een heel wezenlijk
onderdeel van Heleens repertoire. Juist die intieme setting van de kamermuziek,
met een vaak genadeloze akoustiek, lijkt musici extra kwetsbaar te maken.
Heleen: “Klopt, het lijntje naar het publiek is heel kort. Maar dat vind ik tegelijk het
mooie eraan. En je moet in weinig tijd een compleet verhaal vertellen, of
eigenlijk een serie verhaaltjes.”
Daarbij werkt ze graag volgens een bepaald thema. Het programma Mein Singen ist
ein Rufen’ (1995) was opgebouwd rondom vier vrouwelijke componisten uit de Romantiek en
hun strijd om erkenning.
De cd ‘I am a person too!’ (2002) bevat een illustere bloemlezing in tal van stijlen. Rode draad: alle
teksten belichten een facet van de jeugd, van het opgroeien.
En zo gretig als Heleen in de grote lijnen van het theater duikt, zo behoedzaam
penseelt ze het millimeterwerk van de miniaturen die liederen zijn. Een goede
werkrelatie met de begeleider is overigens wel een voorwaarde, beklemtoont ze.
“Maar als je zoveel jaren samenwerkt als Steven en ik, dan heb je maar een half
woord nodig. Vaak heb je zelfs helemaal geen woorden meer nodig.
Tijdens een concert gebeuren er telkens weer mooie dingen die we niet van
tevoren hadden afgesproken. Ja, dat klinkt zweverig en sorry, ik kan niet
verklaren... Het ís gewoon zo.”
Margaretha Coornstra